Het sacrament van de Wijding

In de Schrift
In het evangelie lezen we hoe Jezus mensen riep om Hem te volgen (Mc. 1,15).
Hij koos twaalf leerlingen uit om op een bijzondere manier met Hem verbonden te zijn en uitgezonden te worden. Op initiatief van de Heer zelf werden zij voor het dienstwerk uitgekozen. Na de verrijzenis zendt de Heer zijn apostelen uit met de woorden: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen (…..) en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mt. 28,1-20).
De apostelen verzamelden op hun beurt naaste medewerkers bij de vervulling van hun opdracht. In het Nieuwe Testament worden verschillende ambten aangeduid: episkopoi (opzichters), presbuteroí (oudsten) en diakonoi (diakens) De overdracht van de ambten gebeurde door handoplegging en gebed (Hand. 6,61.
In de liturgie
De wijding tot daken, priester of bisschop vindt plaats tijdens een Eucharistieviering. Na de schriftlezingen (viering van het woord) wordt de wijdeling naar voren geroepen. Ten overstaan van de wijdende bisschop antwoordt de wijdeling “Ja, hier ben ik.” Er volgt een verklaring in korte bewoordingen dat de wijdeling geschikt is om de wijding te ontvangen.
Na de preek antwoordt de wijdeling bevestigend op een aantal vragen van de bisschop die betrekking hebben op het dienstwerk aan God en aan de mensen, en op vragen die betrekking hebben op de specifieke verantwoordelijkheden die met het ambt van diaken, priester of bisschop gegeven zijn. Daarna wordt een smeekgebed (litanie) tot God en alle heiligen gezongen, terwijl de wijdeling languit op de grond ligt als teken van overgave. Daarna gaat hij naar de bisschop toe om gewijd te worden.
De wijdende bisschop legt in stilte de handen op het hoofd van de wijdeling. De wijdeling blijft geknield terwijl de bisschop het wijdingsgebed bidt. Er zijn specifieke gebeden voor de wijding tot diaken, tot priester en tot bisschop. Na een aantal aanvullende handelingen (bijvoorbeeld zalving van de handen) gaat de viering van de eucharistie verder op de gebruikelijke manier.
De betekenis
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft over deze apostolische zending in de Kerk het volgende gezegd: “Zo wordt het door God ingestelde kerkelijk ambt in verscheidene wijdingsoorden uitgeoefend door degenen die reeds van oudsher als bisschoppen, priesters en diakens bekend staan” (Lumen Gentíum, 28).
Het sacrament van de wijding staat ten dienste van het geloofsleven van heel de Kerk, het volk van God. De dragers van het gewijde ambt zijn aangesteld om in Christus Naam het geloof te verkondigen, de sacramenten te bedienen en herders te zijn van de medegelovigen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Door het doopsel en het vormsel hebben alle gelovigen deel aan de zending die Christus aan zijn Kerk gegeven heeft: het gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen. Zij zijn geroepen om bij te dragen aan de opbouw van een inspirerende Kerk en zo mee te werken aan de komst van het koninkrijk van God.
Het ambtelijk priesterschap, op grond van de wijding, heeft de taak om de gelovigen te voeden en te sterken met de sacramenten en de verkondiging, en leiding te geven. Zo worden zij toegerust om de opdracht van het gemeenschappelijk priesterschap
in de Kerk en daarbuiten te volbrengen. Dit gemeenschappelijk priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk priesterschap van de wijding verschillen dus wezenlijk van elkaar. Ze zijn op elkaar aangewezen. Beide hebben op een eigen manier deel aan het priesterschap van Christus.
drs. P. Kuipers, pr. rector van het Ariënsinstituut


